Mededelingen

Aanvangslied: Gezang 327
1 Heer Jezus, o Gij dageraad,
wend naar ons toe uw licht gelaat.
Uw Geest die in de waarheid leidt
zij onze gids in deze tijd.

2 Geef dat ons hart mag zijn gericht
op U die ons verstand verlicht,
opdat uw naam ons steeds nabij,
uw lof op onze lippen zij,

3 totdat met alle englen saam
wij zingen: `heilig is Gods naam!’,
en zien U in het zalig licht
van aangezicht tot aangezicht.

Stil gebedVotum en groet

Zingen: Psalm 32: 3, 4
3 Gij zijt, o HEER, mijn schuilplaats en mijn haven,
Gij zult aan mij al uw beloften staven.
Wat mij benauwt, Gij stelt U aan mijn zij,
omringt met liedren van bevrijding mij!
Gij zult mij voortaan door uw trouw bewaken,
Gij zult mijn leven vol van vreugde maken.
Ik zal mijn weg lichtvoetig verder gaan,
Gij gaat mij voor, Gij maakt voor mij ruim baan.

4 Zo spreekt de HEER: `Mijn weg zal Ik u wijzen,
u ziet mijn oog, waarheen gij ook zult reizen.
Wees niet een dier dat koppig tegenstreeft,
zich slechts aan toom en bit gewonnen geeft.’
Wie God ontvliedt heeft ondergang te vrezen –
wie tot Hem komt, mag bij Hem veilig wezen.
Gij die oprecht van hart en wandel zijt,
verheugt u in den HEER te allen tijd!

Geloofsbelijdenis

Zingen: Lied 298 (Hemelhoog)
1 Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ‘t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.

2 Genade die mij heeft geleerd
te vrezen voor het kwaad.
Maar ook – als ik mij tot Hem keer –
dat God mij nooit verlaat.

3 Want Jezus droeg mijn zondelast
en tranen aan het kruis.
Hij houdt mij door genade vast
en brengt mij veilig thuis.

4 Als ik daar in zijn heerlijkheid
mag stralen als de zon,
dan prijs ik Hem in eeuwigheid
dat ik genade vond,
dan prijs ik Hem in eeuwigheid
dat ik genade vond.

Gebed om de verlichting met de Heilige Geest

Schriftlezing: Leviticus 10: 1-11
De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HERE, wat Hij hun niet geboden had. 2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HERE. 3 En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor de ogen van heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg. 4 Toen riep Mozes Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, een oom van Aäron, en zei tegen hen: Kom naar voren, draag uw broeders weg uit het heiligdom, tot buiten het kamp. 5 Toen kwamen zij naar voren en droegen hen, in hun onderkleren, tot buiten het kamp, zoals Mozes gesproken had. 6 En Mozes zei tegen Aäron, en tegen Eleazar en Ithamar, zijn zonen: Jullie mogen je hoofdhaar niet los laten hangen en je kleding niet scheuren, opdat jullie niet sterven en er grote toorn over heel de gemeenschap komt; maar jullie broeders, heel het huis van Israel, zullen de brand bewenen, die de HERE aangestoken heeft. 7 Jullie mogen ook niet van de ingang van de tent van ontmoeting weggaan, anders zullen jullie sterven, want de zalfolie van de HERE is op jullie. En zij deden overeenkomstig het woord van Mozes. 8 De HERE sprak verder tot Aäron: 9 Wijn en sterke drank mag u niet drinken, u niet en uw zonen met u ook niet, als u de tent van ontmoeting binnenkomt, opdat u niet sterft – het is een eeuwige verordening, al uw generaties door 10 zowel om onderscheid te kunnen maken tussen het heilige en het onheilige, tussen het onreine en het reine, 11 als om de Israëlieten in al de verordeningen te kunnen onderwijzen die de HERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.

2 Korinthe 12: 7-10
7 En opdat ik mij door het alles overtreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen. 8 Hierover heb ik de Here driemaal gesmeekt dat hij van mij weg zou gaan. 9 Maar Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij komt wonen. 10 Daarom heb ik een behagen in zwakheden: in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Zingen: Psalm 38: 1, 5, 6
1 Laat toch niet uw toorn, o HERE, / mij verteren,
straf mij niet, o straf mij niet.
Want uw hand ligt op mijn leven. / Zie mij beven
voor de pijlen die Gij schiet.

5 Zie, mijn leven is bezweken / en zal breken
onder ‘t leed, Heer, dat het torst.
In benauwdheid moet ik kreunen, / ik moet steunen
van het bonzen in mijn borst.

6 Al mijn zuchten, al mijn bange / zielsverlangen
breng ik voor uw aangezicht.
‘t Hart krimpt, zie mijn krachten tanen, / zie mijn tranen,
uit mijn ogen wijkt het licht.

Verkondiging.

Zingen: Psalm 73: 10, 11
10 Wien heb ik in den hemel, Heer,
behalve U, mijn troost en eer?
Wat kan op aarde mij bekoren?
Alleen bij U wil ik behoren.
Al zou mijn vlees en hart vergaan,
toch zal ik, God, voor U bestaan,
wien ik mijn leven toevertrouw,
Gij zijt de rots waarop ik bouw.

11 Want allen die U verre staan,
zij zullen eens te gronde gaan.
Gij stort hen neer in de ellende,
die zich in ontrouw van U wenden.
Maar ‘t is mijn ziel en zaligheid
te zijn bij God, die zelf mij leidt.
‘k Vertrouw op Hem geheel en al,
den HEER, wiens werk ik roemen zal.

Gebed

Collecte

Zingen: Gezang 392
1 Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.
De nacht valt in, waarin geen licht meer straalt.
Andere helpers, Heer, ontvallen mij.
Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.

2 Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt.
Alles verdoft wat glans bezat en gloed.
Alles vervalt in ‘t wisselend getij,
maar Gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij.

3 U heb ik nodig, uw genade is
mijn enig licht in nacht en duisternis.
Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij?
In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.

4 Ik vrees geen kwaad, want bij mij is de Heer.
Tranen en leed zijn nu niet bitter meer.
Waar is uw prikkel, dood, wat dreigt ge mij?
Ik triomfeer, mij is de Heer nabij.

5 Houd, Heer, uw kruis hoog voor mijn brekend oog,
licht in het duister, wijs de weg omhoog.
Uw dag breekt aan, de schaduw gaat voorbij.
In dood en leven, Heer, wees Gij nabij.

Zegen

Last modified: 10 juli 2021